...
Er is in Taunton niet
zoveel meer dat herinnert aan het verleden. Alleen het kasteel,
dat in de negentiende eeuw gerestaureerd werd, en de St. Mary
Magdalene, een middeleeuwse kerk met een slanke toren
opgetrokken uit rode stenen.
Aan het eind van de
Hammet Street torent de toren die is gekroond met twee
opengewerkte, ranke torentjes, boven de omringende huizen uit.
Het lijkt alsof we zo door de geopende deuren naar binnen kunnen
fietsen. Het kerkgebouw zelf is opvallend laag, wat de indruk
wekt dat de dominante toren alleen staat.
In de
kerk wordt thee met scones geserveerd.
Een
wel zeer rondborstige Engelse dame beweegt zich in onze
richting. Haar decolleté is dusdanig laag dat de inhoud zich
vast moet klampen om niet over boord te vallen. Het onbelemmerde
uitzicht overrompelt de grijze fietser, die de wereld om hem
heen plotseling lijkt te vergeten. Nel stoot hem aan.
'Volgens mij hoor je
helemaal niet wat ze zegt.'
Met een schok keer ik
terug tot de werkelijkheid.
'Hè, waar heb je het
over?'
'Ze beweert dat de
scones de beste van heel Engeland zijn.'
'Oh, dat zal best.
Het is zeker de bedoeling dat ik er even om ga.'
Als ik terugkeer, is
de vrouw vertrokken. We drinken onze thee en eten een scone met
boter. Ik vind er niets aan. Plotseling staat de vrouw weer bij
ons tafeltje. Ze buigt zich wat voorover en vraagt of ze gelijk
heeft. Opnieuw een uitstalling waarvoor ik de ogen moeilijk kan
sluiten.
'Ze zijn goed,' zeg
ik, in het midden latend wat ik daarmee bedoel.
'Het is de eerste
scone die ik gegeten heb en ik kan dus niet vergelijken,'
antwoordt Nel diplomatiek.
De vrouw knikt
vriendelijk en vertrekt.
'Je vond er niets
aan, zei je. Waarom zeg je dan dat je ze goed vond?'
'Ik had het niet over
die scones.'
Even kijkt ze me niet
begrijpend aan, dan schiet ze in de lach.
Het asfalt van het
jaagpad langs het Bridgwater and Taunton Canal maakt al snel
plaats voor afwisselend fijn en grof grind, maar het fietst goed
en het is vlak. De boogbruggetjes over het kanaal zijn laag. Het
pad is daar smal en bestaat uit ongelijke keien. Daardoor is het
hobbelig. Bovendien zijn de bogen van de bruggen smaller dan het
kanaal dus maakt het pad telkens een bocht naar links direct
gevolgd door een bocht naar rechts voor het onder de brug duikt.
Het vereist de nodige stuurmanskunst, terwijl we bovendien op
tijd moeten bukken om niet onthoofd te worden. Een paar keer
slinger ik dicht langs het water en verwacht achter me een plons
te horen, maar Nel volgt probleemloos. Onder een van de
bruggetjes zwemmen langs de kant wat zwanen. Op het pad ligt een
zwerver te slapen. We passeren hem rakelings.
Het kanaal verbindt
de Tone met de Parrett en maakte in de Tweede Wereldoorlog deel
uit van de Taunton Stop Line, een verdedigingslinie bestaande
uit kleine bunkers die een eventuele Duitse invasie moest
vertragen. Het is nu allemaal heel landelijk en vredig. Wuivend
riet en ritselende bladeren. Statige zwanen, kwakende eenden en
zo nu en dan een eenzame reiger. Twee fietsers die op hun gemak
het jaagpad volgen en wat later aan de waterkant hun boterhammen
eten. Zoiets duurt vanzelfsprekend nooit zo heel erg lang en
enige tijd later rijden we over de A361 naar Glastonbury, het
eerste christelijke heiligdom op de Britse eilanden. Hoewel het
een A-weg is, valt de drukte mee. We fietsen nu door de Somerset
Levels, een vlak en waterrijk weide- en moerasgebied. Door die
weiden en de vele wilgen doet het landschap Hollands aan. We
passeren enkele mandenmakerijen.
In Burrowbridge staat
het stoplicht voor de smalle brug op rood. Als Nel
terugschakelt, loopt haar ketting eraf. Aan de overkant van de
straat is een pub met op het uithangbord een portret van koning
Arthur. Schuin daarachter ligt de mysterieuze Burrow Mump, een
natuurlijke heuvel met op de top de ruïne van de nooit voltooide
St. Michael's Church.
Aan de andere kant
van de brug staan honderden motorrijders te wachten voor het
stoplicht, dat er slechts enkele tientallen per keer doorlaat.
We vragen ons eerst af waar ze allemaal vandaan komen, maar
beseffen dan dat we op weg zijn naar Glastonbury, een stad die
een magische aantrekkingskracht op het alternatieve deel van de
Britse bevolking schijnt te hebben.
In Glastonbury zijn
geschiedenis en legendes erg nauw met elkaar
verweven. In de ijzertijd moet een zeearm
gereikt hebben tot aan de voet van de
Glastonbury Tor, een eenzame, 160 meter hoge
heuvel met op de top de ruïne van een
middeleeuwse kerk. Die zeearm slibde langzaam
dicht en werd moerasland. Lag daar wellicht het
eiland Avalon, het mystieke bolwerk van het oude
Keltische geloof, waar Arthur, gedesillusioneerd
en dodelijk verwond door zijn stiefzoon Mordred,
heenging om te sterven en de fee Morgan zijn
wonden verzorgde?
Waar is het eiland
gebleven? Verdween het in nevelen en dreef het weg toen het
nieuwe geloof, het christendom, in Engeland de overhand kreeg?
Zeker is wel dat er
rond het begin van onze jaartelling een nederzetting was,
bestaande uit zo'n negentig paalwoningen. Zeker is ook dat hier
een van de oudste kerken van Engeland gestaan heeft. Een aan
Maria gewijde kerk, die koning Arthur volgens de overlevering
van alle kerken in zijn rijk het naast aan het hart lag. Die
kerk en het daarbij behorende klooster kregen in 704 een aantal
privileges waardoor hun macht nog verder toenam.
Een legende vertelt
dat de kerk gesticht werd door Jozef van Arimathea, die hier met
elf volgelingen in 63 na Christus aan land was gegaan. Toen de
mannen stopten om te bidden, zou Jozef zijn staf in de grond
gestoken hebben. De staf schoot wortel en groeide uit tot de
beroemde meidoorn van Glastonbury die zowel in mei als met
Kerstmis bloeit. Een wonder, maar een beetje magertjes om
pelgrims naar Glastonbury te lokken. Het was dan ook wel zo
prettig dat volgens diezelfde legende Jozef niet met lege handen
naar Groot-Brittannië was afgereisd. Hij had de kelk waaruit
Jezus tijdens het Laatste Avondmaal gedronken had en waarin hij
diens bloed had opgevangen, bij zich. En die kelk moet hij in de
omgeving van Glastonbury begraven hebben. Onvoorstelbaar dat
Arthur en zijn ridders van de Ronde Tafel zich wezenloos zochten
naar die Heilige Graal, terwijl die volgens de legende zo
ongeveer in hun achtertuin lag.
In 1101 werd begonnen
met de bouw van een nieuwe Glastonbury Abbey rondom het oude
heiligdom. Het moest de mooiste en grootste kerk van Engeland
worden waarin alle bedevaartgangers een plaatsje zouden kunnen
vinden. In 1120 was de kerk gereed, maar in 1184 brandde het
hele complex tot de grond toe af. Direct werd begonnen met de
wederopbouw, maar de bodem van de geldkist kwam weldra in zicht
en men moest wanhopig op zoek naar een manier om de pelgrims (en
hun geld) opnieuw naar Glastonbury Abbey te lokken. Wat een
ongelooflijk geluk viel hen ten deel toen enkele vrome broeders
in 1191 bij graafwerkzaamheden op de graven van een ruim twee
meter lange man en een vrouw met blond haar stuitten. Bovendien
vonden ze een loden kruis met de tekst:
'HIC IACET SEPULTUS INCLITUS REX ARTURIUS IN INSULA AVALONIA'
(Hier ligt het lichaam van de
beroemde koning Arthur in het eiland van Avalon).
Dat het hier om een
vervalsing ging, die in het graf werd gelegd toen men de kist
ontdekte, was niet belangrijk. Belangrijk was dat de pelgrims
terugkeerden.
De nieuwe abdij kwam
in 1303 gereed en bloeide als nooit tevoren tot het complex op
last van koning Hendrik VIII werd opgeheven en vervolgens
plunderaars er huis hielden.
Het is warm als we
rondlopen over het reusachtige grasveld met de statige bomen. We
staan stil bij de graven van koning Arthur en koningin Guinevere
en aanschouwen de enkele ruïnes die nog resten van het enorme
complex. De restanten van de Lady's Chapel met een hoektoren,
mooi bewerkte muren en indruk-wekkende zuilen. Abbot's Kitchen,
het enige gebouw dat nog intact is, herbergt nu een klein
museum.
Stille getuigen van
lang vervlogen tijden, die straks gebukt gaan onder het
elektronische geweld van het Glastonbury Festival. Een
popfestival dat vanavond achter op het terrein zal losbarsten.
Aan de noordkant zou de meidoorn van Glastonbury moeten groeien,
maar we hebben geen zin om daar onder de brandende zon naar te
gaan zoeken.
De aantrekkingskracht
van Glastonbury op oude hippies, gothics, spiritualisten en
andersoortige alternatievelingen is gigantisch. De New Agers
aller landen hebben zich hier verenigd. De High Street is hun
Mekka. Een bonte verzameling van restaurantjes en winkeltjes
waar ze spirituele snuisterijen en andere alternatieve zaken aan
de man proberen te brengen. De zoete geur van wierook hangt
tussen de huizen. Het wemelt van de straatmuzikanten. Als we ze
stuk voor stuk een aalmoes schenken, zijn we vanavond zelf aan
de bedelstaf en hebben we geen geld meer voor de herberg. De
meesten maken zich er trouwens wel erg gemakkelijk vanaf. Drie
akkoorden op een gitaar, vier noten op een blokfluit, verder
komen ze niet. De petten, doosjes en muziekkoffers waarin de
goede gaven gedeponeerd dienen te worden, blijven dan ook
angstvallig leeg......