Fragment uit 'End to End'

 

 Wellington - Loxton, 97 km

... Er is in Taunton niet zoveel meer dat herinnert aan het verleden. Alleen het kasteel, dat in de negentiende eeuw gerestaureerd werd, en de St. Mary Magdalene, een middeleeuwse kerk met een slanke toren opgetrokken uit rode stenen.

Aan het eind van de Hammet Street torent de toren die is gekroond met twee opengewerkte, ranke torentjes, boven de omringende huizen uit. Het lijkt alsof we zo door de geopende deuren naar binnen kunnen fietsen. Het kerkgebouw zelf is opvallend laag, wat de indruk wekt dat de dominante toren alleen staat.

In de kerk wordt thee met scones geserveerd.

Een wel zeer rondborstige Engelse dame beweegt zich in onze richting. Haar decolleté is dusdanig laag dat de inhoud zich vast moet klampen om niet over boord te vallen. Het onbelemmerde uitzicht overrompelt de grijze fietser, die de wereld om hem heen plotseling lijkt te vergeten. Nel stoot hem aan.

'Volgens mij hoor je helemaal niet wat ze zegt.'

Met een schok keer ik terug tot de werkelijkheid.

'Hè, waar heb je het over?'

'Ze beweert dat de scones de beste van heel Engeland zijn.'

'Oh, dat zal best. Het is zeker de bedoeling dat ik er even om ga.'

Als ik terugkeer, is de vrouw vertrokken. We drinken onze thee en eten een scone met boter. Ik vind er niets aan. Plotseling staat de vrouw weer bij ons tafeltje. Ze buigt zich wat voorover en vraagt of ze gelijk heeft. Opnieuw een uitstalling waarvoor ik de ogen moeilijk kan sluiten.

'Ze zijn goed,' zeg ik, in het midden latend wat ik daarmee bedoel.

'Het is de eerste scone die ik gegeten heb en ik kan dus niet vergelijken,' antwoordt Nel diplomatiek.

De vrouw knikt vriendelijk en vertrekt.

'Je vond er niets aan, zei je. Waarom zeg je dan dat je ze goed vond?'

'Ik had het niet over die scones.'

Even kijkt ze me niet begrijpend aan, dan schiet ze in de lach.

 

Het asfalt van het jaagpad langs het Bridgwater and Taunton Canal maakt al snel plaats voor afwisselend fijn en grof grind, maar het fietst goed en het is vlak. De boogbruggetjes over het kanaal zijn laag. Het pad is daar smal en bestaat uit ongelijke keien. Daardoor is het hobbelig. Bovendien zijn de bogen van de bruggen smaller dan het kanaal dus maakt het pad telkens een bocht naar links direct gevolgd door een bocht naar rechts voor het onder de brug duikt. Het vereist de nodige stuurmanskunst, terwijl we bovendien op tijd moeten bukken om niet onthoofd te worden. Een paar keer slinger ik dicht langs het water en verwacht achter me een plons te horen, maar Nel volgt probleemloos. Onder een van de bruggetjes zwemmen langs de kant wat zwanen. Op het pad ligt een zwerver te slapen. We passeren hem rakelings.

Het kanaal verbindt de Tone met de Parrett en maakte in de Tweede Wereldoorlog deel uit van de Taunton Stop Line, een verdedigingslinie bestaande uit kleine bunkers die een eventuele Duitse invasie moest vertragen. Het is nu allemaal heel landelijk en vredig. Wuivend riet en ritselende bladeren. Statige zwanen, kwakende eenden en zo nu en dan een eenzame reiger. Twee fietsers die op hun gemak het jaagpad volgen en wat later aan de waterkant hun boterhammen eten. Zoiets duurt vanzelfsprekend nooit zo heel erg lang en enige tijd later rijden we over de A361 naar Glastonbury, het eerste christelijke heiligdom op de Britse eilanden. Hoewel het een A-weg is, valt de drukte mee. We fietsen nu door de Somerset Levels, een vlak en waterrijk weide- en moerasgebied. Door die weiden en de vele wilgen doet het landschap Hollands aan. We passeren enkele mandenmakerijen.

In Burrowbridge staat het stoplicht voor de smalle brug op rood. Als Nel terugschakelt, loopt haar ketting eraf. Aan de overkant van de straat is een pub met op het uithangbord een portret van koning Arthur. Schuin daarachter ligt de mysterieuze Burrow Mump, een natuurlijke heuvel met op de top de ruïne van de nooit voltooide St. Michael's Church.

Aan de andere kant van de brug staan honderden motorrijders te wachten voor het stoplicht, dat er slechts enkele tientallen per keer doorlaat. We vragen ons eerst af waar ze allemaal vandaan komen, maar beseffen dan dat we op weg zijn naar Glastonbury, een stad die een magische aantrekkingskracht op het alternatieve deel van de Britse bevolking schijnt te hebben.  

In Glastonbury zijn geschiedenis en legendes erg nauw met elkaar verweven. In de ijzertijd moet een zeearm gereikt hebben tot aan de voet van de Glastonbury Tor, een eenzame, 160 meter hoge heuvel met op de top de ruïne van een middeleeuwse kerk. Die zeearm slibde langzaam dicht en werd moerasland. Lag daar wellicht het eiland Avalon, het mystieke bolwerk van het oude Keltische geloof, waar Arthur, gedesillusioneerd en dodelijk verwond door zijn stiefzoon Mordred, heenging om te sterven en de fee Morgan zijn wonden verzorgde?

Waar is het eiland gebleven? Verdween het in nevelen en dreef het weg toen het nieuwe geloof, het christendom, in Engeland de overhand kreeg?

Zeker is wel dat er rond het begin van onze jaartelling een nederzetting was, bestaande uit zo'n negentig paalwoningen. Zeker is ook dat hier een van de oudste kerken van Engeland gestaan heeft. Een aan Maria gewijde kerk, die koning Arthur volgens de overlevering van alle kerken in zijn rijk het naast aan het hart lag. Die kerk en het daarbij behorende klooster kregen in 704 een aantal privileges waardoor hun macht nog verder toenam.

Een legende vertelt dat de kerk gesticht werd door Jozef van Arimathea, die hier met elf volgelingen in 63 na Christus aan land was gegaan. Toen de mannen stopten om te bidden, zou Jozef zijn staf in de grond gestoken hebben. De staf schoot wortel en groeide uit tot de beroemde meidoorn van Glastonbury die zowel in mei als met Kerstmis bloeit. Een wonder, maar een beetje magertjes om pelgrims naar Glastonbury te lokken. Het was dan ook wel zo prettig dat volgens diezelfde legende Jozef niet met lege handen naar Groot-Brittannië was afgereisd. Hij had de kelk waaruit Jezus tijdens het Laatste Avondmaal gedronken had en waarin hij diens bloed had opgevangen, bij zich. En die kelk moet hij in de omgeving van Glastonbury begraven hebben. Onvoorstelbaar dat Arthur en zijn ridders van de Ronde Tafel zich wezenloos zochten naar die Heilige Graal, terwijl die volgens de legende zo ongeveer in hun achtertuin lag.

In 1101 werd begonnen met de bouw van een nieuwe Glastonbury Abbey rondom het oude heiligdom. Het moest de mooiste en grootste kerk van Engeland worden waarin alle bedevaartgangers een plaatsje zouden kunnen vinden. In 1120 was de kerk gereed, maar in 1184 brandde het hele complex tot de grond toe af. Direct werd begonnen met de wederopbouw, maar de bodem van de geldkist kwam weldra in zicht en men moest wanhopig op zoek naar een manier om de pelgrims (en hun geld) opnieuw naar Glastonbury Abbey te lokken. Wat een ongelooflijk geluk viel hen ten deel toen enkele vrome broeders in 1191 bij graafwerkzaamheden op de graven van een ruim twee meter lange man en een vrouw met blond haar stuitten. Bovendien vonden ze een loden kruis met de tekst:

 

      'HIC IACET SEPULTUS INCLITUS REX ARTURIUS IN INSULA AVALONIA' (Hier ligt het lichaam van de

       beroemde koning Arthur in het eiland van Avalon).

 

Dat het hier om een vervalsing ging, die in het graf werd gelegd toen men de kist ontdekte, was niet belangrijk. Belangrijk was dat de pelgrims terugkeerden.

De nieuwe abdij kwam in 1303 gereed en bloeide als nooit tevoren tot het complex op last van koning Hendrik VIII werd opgeheven en vervolgens plunderaars er huis hielden.

 Het is warm als we rondlopen over het reusachtige grasveld met de statige bomen. We staan stil bij de graven van koning Arthur en koningin Guinevere en aanschouwen de enkele ruïnes die nog resten van het enorme complex. De restanten van de Lady's Chapel met een hoektoren, mooi bewerkte muren en indruk-wekkende zuilen. Abbot's Kitchen, het enige gebouw dat nog intact is, herbergt nu een klein museum.

Stille getuigen van lang vervlogen tijden, die straks gebukt gaan onder het elektronische geweld van het Glastonbury Festival. Een popfestival dat vanavond achter op het terrein zal losbarsten. Aan de noordkant zou de meidoorn van Glastonbury moeten groeien, maar we hebben geen zin om daar onder de brandende zon naar te gaan zoeken.

De aantrekkingskracht van Glastonbury op oude hippies, gothics, spiritualisten en andersoortige alternatievelingen is gigantisch. De New Agers aller landen hebben zich hier verenigd. De High Street is hun Mekka. Een bonte verzameling van restaurantjes en winkeltjes waar ze spirituele snuisterijen en andere alternatieve zaken aan de man proberen te brengen. De zoete geur van wierook hangt tussen de huizen. Het wemelt van de straatmuzikanten. Als we ze stuk voor stuk een aalmoes schenken, zijn we vanavond zelf aan de bedelstaf en hebben we geen geld meer voor de herberg. De meesten maken zich er trouwens wel erg gemakkelijk vanaf. Drie akkoorden op een gitaar, vier noten op een blokfluit, verder komen ze niet. De petten, doosjes en muziekkoffers waarin de goede gaven gedeponeerd dienen te worden, blijven dan ook angstvallig leeg......