|
Bij het ontbijt mis
ik de oude seksbom, maar eet er niet minder om. Nog voor half
acht vertrekken we. Het is nu al te warm. Dat belooft wat voor
de rest van de dag. We volgen stroomopwaarts de Roter Main over
een grindpad door het park. Het is druk. Scholieren haasten zich
naar hun scholen, die kennelijk langer door-werken dan bij ons.
Ze fietsen niet zoals in ons land met z'n drieën of vieren naast
elkaar, maar heel gedisciplineerd twee aan twee. Wat dat betreft
kunnen wij nog het een en ander leren van onze oosterburen. Toch
zijn er ook hier mensen uit de boot gevallen. Mensen die zich
niet staande hebben kunnen houden in onze steeds meer
individualiserende samenleving. Op een bankje slaapt er één zijn
roes uit. Zijn schurftige hond ligt er onder en gluurt vals naar
de voorbijgangers. Als een wandelaarster hem wil passeren, richt
hij
zich op. De vrouw schrikt, aarzelt en blijft staan. Pas als
wij langs de hond fietsen en het beest verder nauwelijks
reageert, waagt ook zij zich er langs.
Eenmaal buiten Bayreuth worden we het Fichtelgebergte ingestuurd om de drukke
doorgaande weg naar Weidenberg te ontlopen. Het smalle
asfaltweggetje steekt het dal van de Steinbach over, kruist het
riviertje en zoekt zich een weg omhoog het dal uit. Het is
windstil. De zon is helwit achter de dalwand tevoorschijn
gekomen. Het gaat nu steil omhoog. Veel te steil bij deze
temperatuur. Moeizaam zwoegen we naar boven, zwetend als paarden.
Daar aan-gekomen zien we voor ons de ene na de andere helling
opdoemen. In Untersteinbach rijden we een rondje op zoek naar de
goede weg. Nel rijdt daarna even voorop. Opnieuw een onmogelijk
steile klim over een pad vol kuilen en stenen. Zo beroerd dat
zelfs een mountainbiker er met een grote boog omheen zou gaan.
Stijgingspercentage: zeventien procent! Logisch dat Nel
halverwege de helling stilvalt. Gelukkig in de schaduw van
enkele bomen. Ook ik krijg mijn pedalen slechts met moeite rond,
maar het gaat toch net iets makkelijker dan bij Nel. Ik stop
naast haar en kijk opzij. Zwaar hijgend hangt ze over haar stuur.
Zelf heb ik mijn adem-haling iets beter onder controle, maar ik
heb het wel helemaal gehad. Waar zijn we in godsnaam mee bezig?
De hitte, de inspanning, het beroerde wegdek. Ik heb er meer dan
genoeg van en ben het spuugzat.
'Moet ik dit leuk
vinden, Nel?'
'Je zou het kunnen
proberen,' hijgt ze.
'Iemand die dit
lekker vindt, is een masochist. Welke idioot heeft dit bedacht?
Wie leidt een trekker op een zware fiets nu over zo'n beroerd
pad?' reageer ik kwaad.
'Als het minder warm
was, zou het niet zo erg zijn. Maar dat is het nu eenmaal niet.
We zullen het bij dit weer moeten doen,' antwoordt ze nog steeds
hijgend.
'Ik weet niet of we
zo moeten doorgaan. Dit doe ik in ieder geval nooit meer.'
'De moeilijkheid met
jou is dat je niet de zonnige kant ervan kunt inzien. Voor
hetzelfde geld hadden we nu in de regen gefietst.'
'Wat?
Zie ik de zonnige kant niet? Ik zie al weken lang niets anders
dan die verrekte zon. Zag ik maar eens een wolk, viel er maar
eens een bui, dan koelden we misschien een beetje af. Dit is
niet normaal meer.'
'Een beetje afkoelen
zou voor jou inderdaad geen kwaad kunnen. Stop je energie liever
in het fietsen in plaats van je zo druk te maken.'
'Nog even en ze
kunnen me tussen zes planken afvoeren.'
Dat is de druppel die
bij Nel de emmer doet overlopen. Resoluut maakt ze een einde aan
mijn geklaag.
'Zo, je hebt je weer
lang genoeg kunnen afreageren. We gaan verder,' zegt ze en
begint haar fiets omhoog te duwen. Mij rest weinig anders dan
haar braaf te volgen. Slechts een paar kilometer verder is het
ergste leed alweer geleden en dalen we langzaam af naar
Goldkronach. Voor de zoveelste keer heb ik me weer eens veel te
vroeg druk gemaakt. In Goldkronach
kopen we broodjes en maak ik
een foto van een
stenen bruggetje over het bijna drooggevallen
beekje dat door het plaatsje stroomt. In een grijs verleden
wasten goudzoekers daarin goud. Rond 1300 struin-den zij dit
gebied af op zoek naar edelmetaal.
Behalve goud werd er
ook zilver, ijzer en tin gevonden. Nu is daar in het dorp zo op
het eerste gezicht niets meer van terug te vinden. Ook in het
schaarse water van het beekje zie ik nergens een goudklomp
glinsteren. Alleen de naam lijkt nog te herinneren aan het
verleden. Niets is echter minder waar, want op 25 april 1992 zag
de Deutsche Goldsuchervereinigung in dit voormalige goudzoekersplaatsje het levenslicht en al vanaf 1987 organiseert
men hier de 'kampioenschappen goud wassen'.
Na Goldkronach
klimmen we over een goed fietspad door een bosrijk gebied heel
geleidelijk naar Bischofsgrün. Naast ons ruist de Weißer Main in
tegenovergestelde richting omlaag. Het is heerlijk stil en
regelmatig fietsen we in de schaduw van de bomen. Het leven
wordt weer draaglijk en op mijn humeur valt niets meer aan te
merken. Wat is fietsen toch geweldig.
Dan worden we
ingehaald door een man op een zware motor. Die vent mag hier op
die motor helemaal niet komen, denk ik, wat heeft hij hier te
zoeken? Dat laatste wordt duidelijk als hij stopt en vraagt of
we twee loslopende honden gezien hebben.
'Nee, we hebben geen
hond gezien,' antwoordt Nel
En dat willen we ook
graag zo houden, denk ik. Hij rijdt verder. Tien minuten later
komt hij ons tegemoet gere-den met één hond aan de lijn. Een
rottweiler. Hij stopt en vraagt Nel of ze een telefoon bij zich
heeft. Als Nel dat bevestigt, geeft hij haar zijn nummer en
vraagt of we de hond naar ons toe willen lokken als we hem zien
en willen vasthouden tot hij er is. Het is ook een rottweiler.
Als Nel zegt dat we niet zo heel veel tijd hebben, antwoordt hij
dat hij binnen enkele minuten bij ons zal zijn. Nel belooft uit
te kijken naar het beest. We fietsen verder. Gelukkig geen hond
te bekennen. Ik heb het niet begrepen op
loslopende honden en
zie het al hele-maal niet zitten om ze te lokken. Ik houd ze
liever op een afstand met mijn anti-hondenapparaatje dat zulke
hoge tonen uitzendt dat de meeste honden er schielijk vandoor
gaan. Gelukkig hebben we het op deze tocht nog niet nodig gehad
en geluk-kig zien we geen loslopende rott-weiler.
Kort voor Bischofsgrün verlaten we de Weißer Main en klimmen naar het
plaatsje dat leeft van het toerisme. Zomers komen de mensen die
de stilte van de bossen in het Fichtelgebergte opzoeken. In de
winter zijn er de wintersporters.
Als het tenminste wil vriezen
en sneeuwen, want zo hoog ligt Bischofsgrün niet. Als we
afstappen om op een terrasje met nog net een klein randje
schaduw wat te drinken, zijn we al 3½ uur onderweg en hebben
nauwelijks dertig kilometer afgelegd. Het schiet niet erg op.
Na Bischofsgrün
opnieuw een steile klim. Onze asfaltweg komt uit op een grindpad
dat tot voorrangsweg is gebombardeerd. We moeten linksaf het pad
op en aanvankelijk fietst het beroerd. We passeren enkele
ski
hellingen. Geleidelijk wordt het pad beter. Het slingert zich
door de schitterende bossen van het oude laag
gebergte. Veel
beuken. Her en der enorme granietblokken. Ze lijken achteloos te
zijn rondgestrooid. Een Duitse familie komt aangewandeld als wij
in de berm van het pad wat staan te eten. Ze groeten kort en
lopen ons voorbij. Honderd meter verder blijven ze staan,
wikkend en wegend welke kant ze op moeten. De man komt
teruggelopen en vraagt of wij weten waar de bron van de Weißer
Main is. We kunnen hem zowaar helpen omdat we net een
richtingaanwijzer zijn gepasseerd die daarheen verwees.
Vanzelfsprekend
verdwijnen op een onzalig moment de bordjes van de
Fichtelnaabroute die we vanaf Bischofsgrün gevolgd hebben. We
fietsen over een licht dalend mountainbikepad. Omkeren en
proberen de route te vinden is geen optie. Geen van beiden
hebben we zin om terug te gaan en weer te moeten klimmen. We
fietsen door en stuiten na enige tijd op een bordje naar Neubau.
Dat dorp wordt door de route aangedaan, zie ik op mijn kaart,
dus dalen we daar naar af. Dit keer zit het mee. Zonder
problemen pikken we de route weer op en vervolgen over een goed
berijdbaar grindpad onze weg. Het pad daalt licht. Het grind
knerpt onder onze banden. De vogels laten zich horen. We
passeren uitgestorven dorpjes. We fietsen heerlijk. Maar aan
alle leuke dingen komt veel te snel een eind, dus komt ons pad
uit op een bredere asfaltweg en moet er weer stevig geklommen
worden. ...
|