Fragment uit 'Trappen tot Praag'

                                                                        

Bayreuth - Marktredwitz, 69 km

Bij het ontbijt mis ik de oude seksbom, maar eet er niet minder om. Nog voor half acht vertrekken we. Het is nu al te warm. Dat belooft wat voor de rest van de dag. We volgen stroomopwaarts de Roter Main over een grindpad door het park. Het is druk. Scholieren haasten zich naar hun scholen, die kennelijk langer door-werken dan bij ons. Ze fietsen niet zoals in ons land met z'n drieën of vieren naast elkaar, maar heel gedisciplineerd twee aan twee. Wat dat betreft kunnen wij nog het een en ander leren van onze oosterburen. Toch zijn er ook hier mensen uit de boot gevallen. Mensen die zich niet staande hebben kunnen houden in onze steeds meer individualiserende samenleving. Op een bankje slaapt er één zijn roes uit. Zijn schurftige hond ligt er onder en gluurt vals naar de voorbijgangers. Als een wandelaarster hem wil passeren, richt hij

zich op. De vrouw schrikt, aarzelt en blijft staan. Pas als wij langs de hond fietsen en het beest verder nauwelijks reageert, waagt ook zij zich er langs.

Eenmaal buiten Bayreuth worden we het Fichtelgebergte ingestuurd om de drukke doorgaande weg naar Weidenberg te ontlopen. Het smalle asfaltweggetje steekt het dal van de Steinbach over, kruist het riviertje en zoekt zich een weg omhoog het dal uit. Het is windstil. De zon is helwit achter de dalwand tevoorschijn gekomen. Het gaat nu steil omhoog. Veel te steil bij deze temperatuur. Moeizaam zwoegen we naar boven, zwetend als paarden. Daar aan-gekomen zien we voor ons de ene na de andere helling opdoemen. In Untersteinbach rijden we een rondje op zoek naar de goede weg. Nel rijdt daarna even voorop. Opnieuw een onmogelijk steile klim over een pad vol kuilen en stenen. Zo beroerd dat zelfs een mountainbiker er met een grote boog omheen zou gaan. Stijgingspercentage: zeventien procent! Logisch dat Nel halverwege de helling stilvalt. Gelukkig in de schaduw van enkele bomen. Ook ik krijg mijn pedalen slechts met moeite rond, maar het gaat toch net iets makkelijker dan bij Nel. Ik stop naast haar en kijk opzij. Zwaar hijgend hangt ze over haar stuur. Zelf heb ik mijn adem-haling iets beter onder controle, maar ik heb het wel helemaal gehad. Waar zijn we in godsnaam mee bezig? De hitte, de inspanning, het beroerde wegdek. Ik heb er meer dan genoeg van en ben het spuugzat.

'Moet ik dit leuk vinden, Nel?'

'Je zou het kunnen proberen,' hijgt ze.

'Iemand die dit lekker vindt, is een masochist. Welke idioot heeft dit bedacht? Wie leidt een trekker op een zware fiets nu over zo'n beroerd pad?' reageer ik kwaad.

'Als het minder warm was, zou het niet zo erg zijn. Maar dat is het nu eenmaal niet. We zullen het bij dit weer moeten doen,' antwoordt ze nog steeds hijgend.

'Ik weet niet of we zo moeten doorgaan. Dit doe ik in ieder geval nooit meer.'

'De moeilijkheid met jou is dat je niet de zonnige kant ervan kunt inzien. Voor hetzelfde geld hadden we nu in de regen gefietst.'

'Wat? Zie ik de zonnige kant niet? Ik zie al weken lang niets anders dan die verrekte zon. Zag ik maar eens een wolk, viel er maar eens een bui, dan koelden we misschien een beetje af. Dit is niet normaal meer.'

'Een beetje afkoelen zou voor jou inderdaad geen kwaad kunnen. Stop je energie liever in het fietsen in plaats van je zo druk te maken.'

'Nog even en ze kunnen me tussen zes planken afvoeren.'

Dat is de druppel die bij Nel de emmer doet overlopen. Resoluut maakt ze een einde aan mijn geklaag.

'Zo, je hebt je weer lang genoeg kunnen afreageren. We gaan verder,' zegt ze en begint haar fiets omhoog te duwen. Mij rest weinig anders dan haar braaf te volgen. Slechts een paar kilometer verder is het ergste leed alweer geleden en dalen we langzaam af naar Goldkronach. Voor de zoveelste keer heb ik me weer eens veel te vroeg druk gemaakt. In Goldkronach

kopen we broodjes en maak ik een foto van een

stenen bruggetje over het bijna drooggevallen beekje dat door het plaatsje stroomt. In een grijs verleden wasten goudzoekers daarin goud. Rond 1300 struin-den zij dit gebied af op zoek naar edelmetaal.

Behalve goud werd er ook zilver, ijzer en tin gevonden. Nu is daar in het dorp zo op het eerste gezicht niets meer van terug te vinden. Ook in het schaarse water van het beekje zie ik nergens een goudklomp glinsteren. Alleen de naam lijkt nog te herinneren aan het verleden. Niets is echter minder waar, want op 25 april 1992 zag de Deutsche Goldsuchervereinigung in dit voormalige goudzoekersplaatsje het levenslicht en al vanaf 1987 organiseert men hier de 'kampioenschappen goud wassen'.

Na Goldkronach klimmen we over een goed fietspad door een bosrijk gebied heel geleidelijk naar Bischofsgrün. Naast ons ruist de Weißer Main in tegenovergestelde richting omlaag. Het is heerlijk stil en regelmatig fietsen we in de schaduw van de bomen. Het leven wordt weer draaglijk en op mijn humeur valt niets meer aan te merken. Wat is fietsen toch geweldig.

Dan worden we ingehaald door een man op een zware motor. Die vent mag hier op die motor helemaal niet komen, denk ik, wat heeft hij hier te zoeken? Dat laatste wordt duidelijk als hij stopt en vraagt of we twee loslopende honden gezien hebben.

'Nee, we hebben geen hond gezien,' antwoordt Nel

En dat willen we ook graag zo houden, denk ik. Hij rijdt verder. Tien minuten later komt hij ons tegemoet gere-den met één hond aan de lijn. Een rottweiler. Hij stopt en vraagt Nel of ze een telefoon bij zich heeft. Als Nel dat bevestigt, geeft hij haar zijn nummer en vraagt of we de hond naar ons toe willen lokken als we hem zien en willen vasthouden tot hij er is. Het is ook een rottweiler. Als Nel zegt dat we niet zo heel veel tijd hebben, antwoordt hij dat hij binnen enkele minuten bij ons zal zijn. Nel belooft uit te kijken naar het beest. We fietsen verder. Gelukkig geen hond te bekennen. Ik heb het niet begrepen op loslopende honden en zie het al hele-maal niet zitten om ze te lokken. Ik houd ze liever op een afstand met mijn anti-hondenapparaatje dat zulke hoge tonen uitzendt dat de meeste honden er schielijk vandoor gaan. Gelukkig hebben we het op deze tocht nog niet nodig gehad en geluk-kig zien we geen loslopende rott-weiler.

Kort voor Bischofsgrün verlaten we de Weißer Main en klimmen naar het plaatsje dat leeft van het toerisme. Zomers komen de mensen die de stilte van de bossen in het Fichtelgebergte opzoeken. In de winter zijn er de wintersporters.

Als het tenminste wil vriezen en sneeuwen, want zo hoog ligt Bischofsgrün niet. Als we afstappen om op een terrasje met nog net een klein randje schaduw wat te drinken, zijn we al 3½ uur onderweg en hebben nauwelijks dertig kilometer afgelegd. Het schiet niet erg op.

Na Bischofsgrün opnieuw een steile klim. Onze asfaltweg komt uit op een grindpad dat tot voorrangsweg is gebombardeerd. We moeten linksaf het pad op en aanvankelijk fietst het beroerd. We passeren enkele ski

hellingen. Geleidelijk wordt het pad beter. Het slingert zich door de schitterende bossen van het oude laag

gebergte. Veel beuken. Her en der enorme granietblokken. Ze lijken achteloos te zijn rondgestrooid. Een Duitse familie komt aangewandeld als wij in de berm van het pad wat staan te eten. Ze groeten kort en lopen ons voorbij. Honderd meter verder blijven ze staan, wikkend en wegend welke kant ze op moeten. De man komt teruggelopen en vraagt of wij weten waar de bron van de Weißer Main is. We kunnen hem zowaar helpen omdat we net een richtingaanwijzer zijn gepasseerd die daarheen verwees.

Vanzelfsprekend verdwijnen op een onzalig moment de bordjes van de Fichtelnaabroute die we vanaf Bischofsgrün gevolgd hebben. We fietsen over een licht dalend mountainbikepad. Omkeren en proberen de route te vinden is geen optie. Geen van beiden hebben we zin om terug te gaan en weer te moeten klimmen. We fietsen door en stuiten na enige tijd op een bordje naar Neubau. Dat dorp wordt door de route aangedaan, zie ik op mijn kaart, dus dalen we daar naar af. Dit keer zit het mee. Zonder problemen pikken we de route weer op en vervolgen over een goed berijdbaar grindpad onze weg. Het pad daalt licht. Het grind knerpt onder onze banden. De vogels laten zich horen. We passeren uitgestorven dorpjes. We fietsen heerlijk. Maar aan alle leuke dingen komt veel te snel een eind, dus komt ons pad uit op een bredere asfaltweg en moet er weer stevig geklommen worden. ...