|
... Dat verandert als er
vanuit het westen in sneltreinvaart dreigende zwarte wolken
komen aanstormen en het steeds harder gaat waaien. Zo te zien
houden we het niet droog. En jawel, juist nadat ik drie
ooievaars op hun hoge nest gefilmd heb, barst de bui in alle
hevigheid los. Razendsnel doen we de hoezen om de fietstassen en
trekken de regenjacks aan. De regen valt met bakken neer en
versluiert de omgeving. Grote druppels ranselen de bladeren en
slaan ons hard in het gezicht. Bomen zwiepen heen en weer door
de harde windvlagen waar wij moeizaam tegenin ploeteren. In die
stromende regen bereiken we het veer Kornsand-Nierstein.
Het veerbootje vaart
net voor onze neus weg. We moeten twintig minuten wachten. In
het cafetaria ziet het blauw van de rook, dus blijven we toch
maar buiten staan en schuilen onder enkele grote bomen. Hun
dichte bladerdek is niet bestand tegen zo'n zondvloed en lekt
aan alle kanten door.
In de regen varen we
naar de andere oever van de Rijn en in de regen fietsen we
verder totdat Nel een supermarkt ontwaart. Er moet gestopt
worden. Ze wil een paar mueslirepen en enkele blikjes limonade
inslaan. Nel gaat naar binnen. Ik blijf onder een luifel bij de
fietsen staan. Langzaam gaat het zachter regenen. Wat later
wordt het zelfs droog. Ik ga er maar bij zitten, want het
wachten duurt lang. Te lang. Overvolle boodschappenwagentjes
worden behoedzaam naar buiten gereden, maar Nel laat zich niet
zien. Ik begin zo langzamerhand wortel te schieten. Uit de
supermarkt blijven mensen naar buiten komen. Ik zit me nu te
verbijten. Zo komen we nooit op tijd in Heidelberg. Net als ik
naar binnen wil stormen om te zien waar ze blijft, komt ze met
een brede lach op haar gezicht eindelijk naar buiten.
'Er waren maar twee
kassa's in gebruik en daarvoor stonden enorm lange rijen. Kijk
eens wat ik allemaal gekocht heb', zegt ze.
Dat heb ik al gezien
en ik vraag me verbijsterd af waar we dat allemaal moeten laten:
drie blikjes limonade, zes enorme bananen, mueslirepen en een
bak met acht perziken. De bananen en de perziken wegen samen
maar liefst 3½
kilo.
'Hoe wil je dat in
vredesnaam allemaal meenemen?' vraag ik, 'We hebben geen auto
bij ons.'
'Oh, dat proppen we
wel in onze fietstassen.'
'Wie koopt er nu zes
bananen en een bak met acht perziken tegelijk? Van die perziken
blijft niets over. Als die zak gaat doorlekken, wordt het in de
fietstassen één grote vieze troep.'
'De perziken zagen er
zo lekker uit, die kon ik niet laten liggen.'
'De meeste zijn nog
niet eens rijp. Die moeten we dagenlang met ons meezeulen. Dit
is echt niet de laatste supermarkt die we tegenkomen.'
'Niet zeuren. De
bananen waren bovendien in de aanbieding. Ze komen heus wel op.'
Ik houd mijn mond.
Tegen zoveel vrouwenlogica leg ik het af en met veel passen en
meten weet ik alles in de tassen te krijgen. Weer vijf kilo
bagage erbij.
We rijden verder
tussen uitgestrekte wijngaarden over smalle asfaltweggetjes en
betonplaten. Alleen landbouwverkeer, fietsers en wandelaars
mogen zich hier vertonen en dus is het heerlijk rustig. Zelfs de
zon breekt door. Alleen de tegenwind die niet door heggen of
bomen gebroken wordt, is spelbreker. Ik fiets zoals gewoonlijk
op kop en Nel zit uit de wind aan mijn achterwiel gekleefd. Het
tempo ligt laag. We hebben al een paar uur gefietst en het raakt
tijd voor een koffiestop.
In Dienheim is
evenwel niets open. We fietsen door naar Ludwigshöhe, ruim drie
kilometer verder. Geen horecaondernemer heeft het aangedurfd
zich hier te vestigen. Op naar Guntersblum, weer enkele
kilometers verder. De geschiedenis herhaalt zich. De
eerstvolgende plaats, Gimbsheim, dient zich pas na vier
kilometer aan en daar zien we eindelijk een Gasthof. Nel springt
van haar fiets en gaat op een drafje naar binnen. Een minuut
later verschijnt ze weer in de deuropening.
'Ze hebben hier
koffie,' roept ze en weg is ze. Niet dat haar behoefte aan
cafeïne zo groot is, maar omdat ze dringend verlegen zat om een
sanitaire stop.
Bij Gernsheim moeten
we opnieuw de Rijn oversteken. Ze weten hier wel van prijzen.
Het vorige veer kostte vier mark en deze keer moeten we er zes
neertellen om overgezet te worden. Samen tien mark voor een paar
honderd meter varen op een klein overzetveer.
Kort na Gernsheim
volgen er een flink aantal kilometers over halfverharde wegen
door prachtige bossen. We hebben de weg voor onszelf. Overal om
ons heen zingen en fluiten vogels. Bladeren ritselen. Af en toe
kreunt een boom. Geen verkeersgeruis op de achtergrond. Heerlijk
fietsen na de drukte van gisteren.
Als we na een stop in
Lorsch weer willen opstappen, waarschuwt de ober van het café
ons voor het dreigende onweer. Uit het noordwesten komen tegen
de wind in grote onweerswolken snel opzetten. Ze zijn nog
redelijk ver weg, zodat we toch maar op weg gaan. Opnieuw hebben we de harde wind tegen maar dat heeft ook de
onweersbui die ons probeert in te halen. Wie heeft de langste
adem? De bui komt langzaam dichterbij en lijkt ons te gaan
overrompelen, maar buigt dan langzaam af. Als we dat eenmaal
opgemerkt hebben, is de snelheid er gelijk helemaal uit. Het
straffe tempo en de harde tegenwind eisen nu hun tol.
Eindelijk komen we in
Ladenburg, een prachtig oud stadje. We fietsen over hobbelige
kasseien naar een marktplein met mooie vakwerkhuizen. Een leeg
bankje staat in de schaduw uitnodigend op ons te wachten. Een
uitnodiging die we graag aanvaarden.
Klokslag zes uur stapt Nel het toeristen-bureau bij het Bahnhof
in Heidelberg binnen. Voorzien van een stadsplattegrond en een
lijst met hotels staat ze snel weer buiten. Pas een uur later
hebben we eindelijk een hotel gevonden. Snel douchen en omkleden
en de stad in om wat te gaan eten. We zitten een behoorlijk eind
van het centrum en als we eenmaal bij de Hauptstraße
gearriveerd zijn, blijkt dat we die eerst helemaal door moeten
om bij het oude stadscentrum te komen waar de meeste restaurants
gevestigd zijn. Zodoende zitten we pas om acht uur aan een
tafeltje van een Italiaans restaurantje en moeten we nog een
halfuur wachten voor de pizza's opgediend worden. Het schemert
al als we teruglopen naar ons hotel.
De Hauptstraße die een flaneerstraat zou moeten zijn,
ligt er vrijwel verlaten bij. Een honderd meter voor ons loopt
een luidruchtige, kaalgeschoren jongen gekleed in legerjack en
legerbroek. Zijn voeten steken in twee grote soldatenkisten.
Zijn oren heeft hij rijk voorzien van ringen en knoppen. De twee
pinnen die uit de bovenranden van zijn oorschelpen omhoog
steken, completeren de hele ijzerhandel en maken hem extra
weerzinwekkend.
'Je zult er thuis zo één
over de vloer hebben,' zeg ik tegen Nel. Ik ben nog niet
uitgesproken of de skinhead loopt plotseling naar twee zwervers
die bij een vitrinekast op straat zitten, gaat tegenover een van
hen staan en begint tegen hem te schreeuwen en te schelden. De
zwerver, omringd door lege drankflessen, is volkomen apathisch
en reageert totaal niet op het verbale geweld. Dat maakt de
jongen alleen maar agressiever. Hij gaat volkomen door het lint
en schreeuwt en krijst de halve stad bij elkaar. Zijn vriendin
staat een eindje verder gierend van het lachen toe te kijken.
Het volgende ogenblik geeft hij een karatetrap naar de zwerver.
De grote soldatenkist mist het hoofd van de arme man op een
haar. Geen enkele reactie bij de stumper. Hij krijgt nog enkele
verwensingen naar zijn hoofd geslingerd en dan rent de idioot
luid krijsend naar zijn vriendin. Lachend en gillend hollen ze
verder. Binnen enkele seconden heeft het hele voorval zich
afgespeeld. Verbijsterd heeft iedereen het zien gebeuren. Voor
iemand kon reageren, was het alweer voorbij. Ik kijk de straat
af. Geen politieagent te bekennen. Geschokt lopen we door. Zo
iets hebben we nooit eerder meegemaakt. We vragen ons af hoe we
gereageerd zouden hebben als we iets dichterbij geweest waren en
hij raak geschopt had. Zouden we het lef gehad hebben om in te
grijpen? We weten het niet. Het is zo makkelijk om hierop 'ja'
te zeggen. Maar wat doe je als het werkelijk zover is? De
praktijk wijst uit dat maar een enkeling zo moedig is.
We lopen door. Bij de bus- en tramhaltes aan het eind van de
Hauptstraße schoolt een groep skinheads samen in twee naast elkaar
gelegen bushokjes. Het is hier druk maar opnieuw is er geen
politieman te bekennen. De fascist die zo juist de zwerver bijna
een doodschop verkocht, staat met grote gebaren tegen de rest te
schreeuwen. Waarschijnlijk vertelt hij zijn kameraden vol trots
over zijn heldendaad. We walgen ervan.
Even later zijn we buiten het centrum en lopen de
lange weg terug naar ons hotel door verlaten, spaarzaam
verlichte straten. Echt op ons gemak voelen we ons niet. We
horen voetstappen achter ons. Langzaam worden ze luider. Nu
horen we ook stemmen. In een grote etalageruit zie ik dat drie
mannen ons naderen. Drie keurig geklede heren in een diep
gesprek gewikkeld. Opgelucht haal ik adem. Ze passeren en wensen
ons vriendelijk goede avond.
|