... Zonder problemen bereiken we het
dorp waar we eerst inkopen doen bij een supermarkt. Daarna
willen we wat eten op een bankje aan de rand van een parkje. We
lopen erheen. Nel gaat zitten en ik zoek in een van de
voortassen brood, beleg en cola. Nel ziet dat een grote zwarte
man op het gras achter ons gaat zitten. Hij drinkt wat uit een
fles en kijkt onze kant op. Plotseling springt hij over-eind en
komt met wilde gebaren recht op ons af. Als dat maar goed gaat,
denkt ze, terwijl ik nog altijd over de voortas gebukt sta en
helemaal niets in de gaten heb. Als de man vlak achter me staat
en begint te schreeuwen, schrik ik me dan ook wezenloos.
Razendsnel draai ik me om en sta oog in oog met een kop grotere,
zwarte idioot met bloeddoorlopen, rollende ogen. Hij roept in
steenkolenengels, dat ik de duivel ben en dat hij ons zal doden
als we niet onmiddellijk vertrekken.
'We hebben honger gekregen van
het fietsen en we eten en drinken eerst wat,' antwoordt Nel
doodgemoede-reerd en neemt rustig een hap van haar brood.
'Als we daarmee klaar zijn,
vertrekken we,' vul ik haar aan in de hoop hem een beetje tot
bedaren te brengen.
Het blijkt echter olie op het
vuur te zijn, want terwijl hij wild met zijn armen zwaait,
schreeuwt hij dat we uit Duitsland komen, dat we duivels zijn en
dat we moeten opsodemieteren. Als we over twee minuten nog niet
weg zijn, zal hij ons vermoorden. Een man en een vrouw die
langs lopen, kijken schichtig even onze kant op en versnellen
onmiddellijk hun pas.
'Zullen we maar opstappen voordat
hij nog gekker gaat doen,' stel ik voor.
'Hij kan me wat,' antwoordt Nel,
die stoïcijns kalm blijft. 'Ik eet eerst mijn brood op. Ik laat
me niet opjagen door zo'n gek.'
Ze kijkt hem recht in de ogen
voor zover dat mogelijk is bij ogen die wild door hun kassen
schieten en zegt: 'We komen helemaal niet uit Duitsland. We
komen uit Nederland. Waar kom jij eigenlijk vandaan?'
Hij wijst naar een van de
rijtjeshuizen achter het grasveld en wordt zowaar wat rustiger.
Hij schudt zijn hoofd een paar keer heen en weer alsof hij
probeert zijn gedachten te ordenen. Dan zegt hij: 'De wereld
vergaat. Ik weet het zeker. God heeft het me zelf verteld. Hij
komt en de wereld zal vergaan. Ik weet het zeker, ik ben al voor
de helft in het paradijs.'
Daar zullen ze boven blij mee
zijn, denk ik, maar het kan natuurlijk wel. In de Bijbel staat
tenslotte zoiets als: 'Zalig zijn de armen van geest, want
hunner is het Koninkrijk der Hemelen.' Ik vraag hem zo
serieus mogelijk wanneer het laatste Oordeel zal plaatsvinden.
Hij is nu redelijk gekalmeerd. Het ergste gevaar lijkt geweken.
'Morgen, morgen vergaat de
wereld. Jullie moeten om zes uur bij me komen, dan zullen jullie
gered worden.'
Dat het einde der tijden zo nabij
is, is toch wel even schrikken. We beloven hem dan ook, dat we
op tijd zullen zijn. Nu is het ijs definitief gebroken. Met een
stralende glimlach stapt hij op me af en omhelst me, hoewel ik
het meer als een halve verwurging ervaar. Daarna moet Nel eraan
geloven, waarna hij terugloopt naar het grasveld en luidkeels
gaat zitten zingen. Af en toe wisselt hij zijn gezang af met
enkele grote brullen. Er passeert een vrouw op weg naar de
supermarkt. Ze kijkt naar ons, lacht, tikt tegen haar hoofd en
zegt, dat hij zo gestoord is als een deur. Daar zijn we
ondertussen zelf ook achtergekomen. Als we weer opstappen, zingt
en brult de zwarte reus nog altijd op het grasveld. ...
|