Fragment uit 'Trappen tot Venetië'

                                                        

Bergamo – Brescia,  85 km

... Zonder problemen bereiken we het dorp waar we eerst inkopen doen bij een supermarkt. Daarna willen we wat eten op een bankje aan de rand van een parkje. We lopen erheen. Nel gaat zitten en ik zoek in een van de voortassen brood, beleg en cola. Nel ziet dat een grote zwarte man op het gras achter ons gaat zitten. Hij drinkt wat uit een fles en kijkt onze kant op. Plotseling springt hij over-eind en komt met wilde gebaren recht op ons af. Als dat maar goed gaat, denkt ze, terwijl ik nog altijd over de voortas gebukt sta en helemaal niets in de gaten heb. Als de man vlak achter me staat en begint te schreeuwen, schrik ik me dan ook wezenloos. Razendsnel draai ik me om en sta oog in oog met een kop grotere, zwarte idioot met bloeddoorlopen, rollende ogen. Hij roept in steenkolenengels, dat ik de duivel ben en dat hij ons zal doden als we niet onmiddellijk vertrekken.

'We hebben honger gekregen van het fietsen en we eten en drinken eerst wat,' antwoordt Nel doodgemoede-reerd en neemt rustig een hap van haar brood.

 'Als we daarmee klaar zijn, vertrekken we,' vul ik haar aan in de hoop hem een beetje tot bedaren te brengen.

Het blijkt echter olie op het vuur te zijn, want terwijl hij wild met zijn armen zwaait, schreeuwt hij dat we uit Duitsland komen, dat we duivels zijn en dat we moeten opsodemieteren. Als we over twee minuten nog niet weg zijn, zal hij ons vermoorden. Een man en een vrouw die langs lopen, kijken schichtig even onze kant op en versnellen onmiddellijk hun pas.

'Zullen we maar opstappen voordat hij nog gekker gaat doen,' stel ik voor.

'Hij kan me wat,' antwoordt Nel, die stoïcijns kalm blijft. 'Ik eet eerst mijn brood op. Ik laat me niet opjagen door zo'n gek.'

Ze kijkt hem recht in de ogen voor zover dat mogelijk is bij ogen die wild door hun kassen schieten en zegt: 'We komen helemaal niet uit Duitsland. We komen uit Nederland. Waar kom jij eigenlijk vandaan?'

Hij wijst naar een van de rijtjeshuizen achter het grasveld en wordt zowaar wat rustiger. Hij schudt zijn hoofd een paar keer heen en weer alsof hij probeert zijn gedachten te ordenen. Dan zegt hij: 'De wereld vergaat. Ik weet het zeker. God heeft het me zelf verteld. Hij komt en de wereld zal vergaan. Ik weet het zeker, ik ben al voor de helft in het paradijs.'

Daar zullen ze boven blij mee zijn, denk ik, maar het kan natuurlijk wel. In de Bijbel staat tenslotte zoiets als: 'Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der Hemelen.' Ik vraag hem zo serieus mogelijk wanneer het laatste Oordeel zal plaatsvinden. Hij is nu redelijk gekalmeerd. Het ergste gevaar lijkt geweken.

'Morgen, morgen vergaat de wereld. Jullie moeten om zes uur bij me komen, dan zullen jullie gered worden.'

Dat het einde der tijden zo nabij is, is toch wel even schrikken. We beloven hem dan ook, dat we op tijd zullen zijn. Nu is het ijs definitief gebroken. Met een stralende glimlach stapt hij op me af en omhelst me, hoewel ik het meer als een halve verwurging ervaar. Daarna moet Nel eraan geloven, waarna hij terugloopt naar het grasveld en luidkeels gaat zitten zingen. Af en toe wisselt hij zijn gezang af met enkele grote brullen. Er passeert een vrouw op weg naar de supermarkt. Ze kijkt naar ons, lacht, tikt tegen haar hoofd en zegt, dat hij zo gestoord is als een deur. Daar zijn we ondertussen zelf ook achtergekomen. Als we weer opstappen, zingt en brult de zwarte reus nog altijd op het grasveld. ...