'Trappen tot Santiago' - korte inhoud

In precies vijf weken fietsten Guus en Nel Schipper in de zomer van 1998 vanuit Wemeldinge naar Santiago de Compostela, de beroemde bedevaartsplaats in Noordwest-Spanje. Een fietstocht van ruim 2300 kilometer naar het graf van Jakobus. Beiden hielden op die tocht een dagboek bij en schreven daarin iedere avond de gebeurtenissen van die dag op. Deze dagboeken vormden de basis van hun reisverslag Trappen tot Santiago.

Ze waren niet de eersten die hieraan begonnen, want sinds de ontdekking van het graf in de negende eeuw trokken pelgrims naar Noordwest-Spanje, waardoor Santiago de Compostela na Rome het belangrijkste bedevaartsoord van Europa werd.

Vanaf de veertiende eeuw ging het langzaam bergafwaarts met de bedevaart naar Santiago en de stroom pelgrims droogde bijna op. Maar na de Tweede Wereldoorlog nam het aantal pelgrims weer gestaag toe en tegenwoordig trekken jaarlijks weer tienduizenden naar het graf van de apostel, dat hoogstwaarschijnlijk niet de stoffelijke resten van Jakobus bevat.

Wat beweegt iemand om aan een dergelijke tocht te beginnen?

Guus: 'Ik fiets veel. Ritjes van zo'n vijftig tot tachtig kilometer. Het ontspant me. Een kennis van ons had de tocht gereden en het leek mij geweldig om dat ook eens te doen. De sportieve uitdaging. Zou ik dat ook kunnen? Ik heb toen wat boeken gelezen over de bedevaart naar Santiago en daardoor raakte het sportieve element op de achtergrond. Cultuurhistorische motieven kwamen ervoor in de plaats zoals het fietsen in de voetsporen van al die middeleeuwse pelgrims, over hun eeuwenoude wegen en al die oude steden en monumenten onderweg.' 

Nel: 'Ik voelde er niet veel voor om zo'n zes weken in Wemeldinge achter te blijven. Daarom wilde ik in eerste instantie mee, hoewel ik nooit veel gefietst had. Ook bij mij veranderde dat in dezelfde motieven als bij Guus. Tijdens de voorbereiding werd ik steeds enthousiaster, ging het me steeds meer aanspreken.'

Die voorbereiding kostte een jaar, omdat ze nog nooit een trektocht op de fiets gemaakt hadden en alles moesten aanschaffen: van speciale trekkingfietsen tot een complete kampeeruitrusting en fietskleding. De route moest worden uitgezet en er moest stevig getraind worden. Eind juli gingen ze op weg.

De tocht was ongelooflijk boeiend en soms behoorlijk zwaar. Ze reden door zeer afwisselende landschappen, bezochten historische plaatsen en monumenten en kwamen onderweg in contact met medepelgrims. Die ontmoetingen waren soms zeer indringend en riepen allerlei vragen bij hen op. Vragen, waarop ze soms geen antwoord wisten. Vijf weken lang draaide hun leven om het fietsen, het vinden van een slaapplaats en het weer. In Noord-Frankrijk was het koud en nat en woei de harde wind consequent uit de verkeerde richting. In Zuid-Frankrijk werden nieuwe hitterecords gevestigd, terwijl ze een week later in de sombere en mistige Pyreneeën klappertandden van de kou.

In Spanje fietsten ze door een droog landschap waarin de kleuren geel en bruin overheersten, over de eindeloze meseta en over bergpassen die soms gedeeltelijk lopend bedwongen moesten worden. Ze volgden een weg die steeds belangrijker voor hen werd en hen veranderde van vakantiegangers in pelgrims.